De muur voelt koud tegen haar klamme huid. Ze rilt. Ze wacht.

   Maanlicht tekent koel zijn kaaklijn, zijn neus, zijn lippen, laat een kleine krater in het midden van zijn kin. Hij staat voor haar, net niet tegen haar, zo tartend, zo dichtbij - hij zou haar hartslag kunnen horen, zou kunnen ruiken hoe ze verlangt. Maar hij lacht niet, hij beweegt niet. Plaagt hij haar? Ze kan het niet lezen in zijn ogen, waar het nacht is.

   Ze had hem gekozen om dat duister. Om zijn ernst, zijn afstand. Ze had gedanst, gekronkeld, alles ingezet. Uiteindelijk was hij met haar naar buiten gegaan, had haar hierheen gebracht. Een huis dat nog geboren moet worden. Muren zonder kamers, een lichaam zonder ziel met plotselinge dieptes waar je in kan vallen.

   ‘En nu?’ Ze glimlacht, draait een been iets meer naar buiten.

   Hij kijkt onbewogen op haar neer. In de club waren zijn ogen bruin geweest, maar nu lijken ze wel zwart. Hij heeft vast een net zo donkere naam. Een naam van helden of demonen.

   Ze wacht niet langer.

   Ze rekt zich uit en kust hem. Ze vindt zijn tong, zijn hitte, ze kust hem wild, bijt in zijn lip, wil de vlammen in zijn ogen, in zijn handen, wil de vlammen waar hij het sterkst verlangt. En hij antwoordt, duwt zijn lichaam tegen het hare, haar rug hard tegen het beton, hij trekt haar benen om zijn heupen, haar begeerte open voor het zijne. Ze kreunt van pijn, van opluchting, klemt zich stevig aan hem vast, ze wil hem in haar, in haar diepte, wil dat hij zichzelf verliest, dat ze allebei verloren zijn.

   Hij stopt abrupt. Hij zet haar neer, maakt zijn broek los, bevrijdt wat tegen de stugge kleding hard is geworden. Uit zijn broekzak valt een gevouwen papier met een zachte tik op de grond.

   Maar hij schuift haar jurkje niet omhoog.

   Hij legt één hand op haar schouder, legt één hand op haar hoofd, en drukt haar zacht maar dwingend op haar knieën. De warmte in haar stolt tot bloedrood gesteente. Met die ene beweging heeft hij haar klein gemaakt, maakt hij alle vrouwen kleiner.

   Het betonnen geraamte lijkt zich dichter om hen heen te buigen, haar knieën doen pijn op de kale grond. Open tussen het stof ligt het papier dat uit zijn broekzak is gevallen. Het is een vliegticket. Op naam van Dhr. M. A. de Boer.

   Ze kijkt omhoog.

   De Boer.

   Voor het eerst trekt er een glimlach over zijn lippen. Zijn hand leidt haar hoofd zijn kant op, zijn ogen lijken kabels om haar nek. Blauwig glanst zijn lid in het maanlicht. Een wapen dat haar beveelt. Ze ruikt hem, weeïg bitter, bijt op de binnenkant van haar lip. Proeft ijzer. Zo scherp, haar tanden. Zo dwars door huid, door aderen.

   Zo dwars door leven heen.

  

Het wapen grijnst. Ze opent haar mond. 

 

 

Mei 2016

Waar de vlammen zijn

© 2020 Janine Geerling

 

  • Google+ Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Pinterest Social Icon
  • Eyeempicto
  • LinkedIn Social Icon
  • Instagram Social Icon