Farran schoot overeind. Een hels gepiep vulde de kleine ruimte en drong zich snerpend in zijn oren. Verwilderd keek hij om zich heen. Daar. Tussen de ontelbare knopjes, lichtjes en radars op het bedieningspaneel, knipperde een felrood lampje. C71, stond eronder.
  ‘Verdomme,’ mompelde hij, terwijl hij de priesterboord om zijn hals iets losser trok. Haastig haalde hij een dun, plastic boekje tevoorschijn. Handleiding voor de Nimrod Hypershuttle, model O-88, stond erop. Met trillende vingers bladerde hij door de groezelige synthetische pagina’s, tot hij bij het kopje Alarmmeldingen kwam.    
   Het vaartuig begon behoorlijk te schudden, en met de grootst mogelijke inspanning las Farran de over de pagina dansende letters.
  - Indien lampje C71 brandt, wordt er onvoldoende donkere energie geconverteerd in de transmutatietank. U kunt nog onder lichtsnelheid verder reizen, maar dient zo spoedig mogelijk contact op te nemen met uw garage.
  - Indien lampje C71 knippert, dan zal de transmutatietank binnen korte tijd imploderen, en kan alleen een bovenkosmische ingreep u nog redden. 

   Vol afgrijzen staarde hij naar die laatste zin. Hij was nog maar een paar uur onderweg, en de boel donderde nu al in elkaar? 
   Hij keek door het raam. De lichtflitsen en kleuren van het wormgat vlogen en kronkelden langs en om de shuttle heen. In de spiegeling van het glas zag hij zijn eigen oude gezicht, dat als een gerimpeld canvas beschenen werd door de stralen van buiten.

Als kind hield hij van schilderen. Hij tekende en kleurde complete zonnestelsels, sterrenstelsels en zelfs superclusters op zijn digitale papier, en dan zag hij zijn ontwerpen tot leven komen in de holografische projectie in het midden van zijn kamer. Liggend op zijn bed kon hij daar uren naar kijken; de planeten die hij zelf bedacht had, cirkelend om sterren die hij zelf gemaakt had, bewegend in een universum dat het zijne was. 

De shuttle draaide plotseling razendsnel om zijn as, en de riemen drukten hard tegen Farrans borstkas. Het was goed mogelijk dat hij het einde van het wormgat niet zou halen.
   Hij lachte grimmig. Hij wist het. Hij wist dat dit zou gebeuren als hij de ruimte inging. Dat wist hij 64 jaar geleden al. Want het was een vreemde, genadeloze plek, de kosmos. Een plek die mensen mutileerde, afslachtte, gek maakte. Een plek die lonkte, verleidde, die alles naar zich toe zoog. 
   Een plek ook, die ouders opslokte.

Zijn vader en moeder waren kosmonauten, die hun leven hadden gewijd aan de zoektocht naar een nieuwe thuisplaneet. Na de ontploffing van de aarde, vierhonderd jaar geleden, leefden de overgebleven mensen op een enorme, door de ruimte zwevende kolonie.
   ‘We willen je een wereld geven, Farran,’ hadden zijn ouders gezegd. ‘Een echte wereld, waar je tussen de bloemen kunt lopen.’
   Toen hij acht was, verdwenen ze voorgoed in een zwart gat.
   Het was een ongeluk. Een stom ongeluk. Het wormgat waarin ze reisden bleek niet stabiel genoeg, en lanceerde hen recht in de gapende mond van het zwarte monster. Want dat was het. Een monster.
   Hij zwoer nooit een voet buiten de ruimtekolonie te zetten.
   En dus werd hij priester. Niet dat hij zo vroom was; het was toevallig het enige beschikbare beroep waarvoor hij in principe nooit op reis zou hoeven gaan.

De shuttle leek vaart te minderen en ging met schokkende bewegingen op en neer. De wanden kraakten, de elektra knetterde, en net toen Farran zijn ogen sloot voor de genadeslag, werd het in een keer doodstil en pikkedonker.
   Hij sperde zijn ogen wijd open, maar de duisternis die hem omhulde leek geen enkel lichtpunt, noch enige schaduw te bevatten. Het was niet eens te zeggen of de shuttle nog bewoog, of niet.
   Hij moest het wormgat verlaten hebben. Farran liet zijn hand over het bedieningspaneel glijden, totdat hij de hendel van het activeringssysteem vond. 
   ‘God, laat er licht zijn,’ zei hij, en haalde de hendel over.
   Er gebeurde niets.
   Nogmaals haalde hij de hendel over.
   Niets. 
   Stil liet hij dit gegeven op zich inwerken. Hij staarde naar de onpeilbare duisternis om zich heen. Geen ster was er, geen nevel, geen enkel punt van licht. Er was niets, werkelijk niets. Het enige wat hij in de oneindige nietsheid zien kon, was zijn eigen donkere einde.

Een week geleden hadden ze zijn naam omgeroepen.
Farran F. Fotis. Wil Vader Farran F. Fotis zich melden bij de uitzendambtenaar?’
   Hij had het bericht genegeerd, ervan uitgaand dat het een vergissing was. Want ze zouden een 72-jarige priester toch zeker niet in zijn eentje de kosmos in sturen?
   Maar het was geen vergissing. 
   De Grote Krimp was dertig jaar geleden ontdekt, toen bleek dat de grenzen van het universum plotseling - zo ongeveer een biljoen jaar eerder dan verwacht -  naar elkaar toe begonnen te trekken. Alle planeten en sterren zouden binnen een paar honderd jaar tot een enkele bal worden samengedrukt, en de enige redding voor de mensheid was het vinden van een ander universum.
   Meer dan achthonderdduizend mensen waren er naar de uiterste randen van de kosmos gestuurd, maar geen van hen keerde terug. 
   Het leek een hopeloze missie.
   Totdat er een paar maanden geleden een mysterieus bericht kwam uit één van de uitgezette wormgaten aan de oostgrens. Het was een noodsignaalkoker met daarin een enkele, door trilling opgeslagen zin:
   Ik ben eruit.
   Er gloorde hoop aan de horizon, en meteen werden er tientallen mensen naar de oostgrens gestuurd. Maar weer kwam er niemand terug.
   Inmiddels waren er nauwelijks nog geschikte kandidaten over om uit te zenden. Dus was het, na de onvruchtbare mensen, de misvormden en de 40-plussers, nu de beurt aan de geestelijken.
   Of in elk geval één geestelijke.
   Hij had hevig protest aangetekend, uiteraard. Maar het hielp geen klap. Ze stopten hem in een oud barrel van een ruimtevaartuig, en kwakten hem in een wormgat.

Farran leunde achterover in zijn stoel. Dit was het dan. De shuttle zou deze koers volgen tot het niet verder kon, en hijzelf zou dan allang dood zijn. Want zonder energie verloor het stralingsschild zijn kracht. En hij wist wat dat betekende.

Behalve de normale gevallen van vergevorderde kanker, enorme gezwellen en uit poriën stromend bloed, waren er ook de slachtoffers met uitzonderlijke mutaties. Hij had mensen gezien zonder neus of ogen, met uitwendig groeiende organen, of met een tweede hoofd op hun rug. Hij had zelfs een man gezien die zo klein was geworden als een baby en die schubben had als van een vis. De man leefde nog, maar kon niet praten, en spartelde hulpeloos op de brancard. Hij had hem in zijn armen genomen en in stilte gewiegd, totdat hij de pijn uit de kleine, bloeddoorlopen ogen zag verdwijnen, samen met het laatste levenslicht.
   De straling tastte ook de hersens aan. De psychiatrische kliniek zat barstensvol mensen die leden aan schizofrenie, waanvoorstellingen, persoonlijkheidsstoornissen en ernstige psychopatische neigingen.
   Al ontstond die gekte niet alleen door straling. Verkenners van het heelal kwamen op plaatsen die het voorstellingsvermogen te boven gingen, en zagen dingen die de gruwelijkste nachtmerries overstegen. 
   Er waren in de ruimte meer mensen waanzinnig geworden, dan gelukkig.

Plotseling zag hij een zacht schijnsel in de verte, en meteen zat hij rechtop. Verdomd. Het was een wormgat, waarschijnlijk van een voorganger. Maar het was onmogelijk om het voertuig bij te sturen, en het zag ernaar uit dat hij er op tientallen meters afstand aan voorbij zou gaan.
   Toen viel zijn blik op de noodsignaalkoker. Dat kon weleens zijn laatste kans op redding zijn. Snel opende hij hem, drukte op de rode knop aan de zijkant, en schraapte zijn keel.
   ‘Ik ben eruit: we zijn kansloos verloren. Maar ik wil wel graag naar huis, als dat kan. Mijn shuttle heeft het begeven. Dit was Farran F. Fotis vanuit de Ouroboros. Over.’ 
   Had hij de rode knop trouwens de hele tijd in moeten drukken, of niet? Hij had geen idee. Maar er was geen moment te verliezen; het wormgat naderde snel. Hij stopte de koker in de daarvoor bestemde schacht, en zodra de shuttle bijna ter hoogte van de glimmende bol was, haalde hij de hendel over.
   De koker vloog met grote snelheid weg, en was in een oogwenk in het wormgat verdwenen.
   Toen pas, realiseerde hij zich wat de eerste woorden van zijn boodschap waren geweest.

Een klein meisje vroeg hem eens waarom God het heelal weggooide. 
   ‘Misschien, om ruimte te maken voor de hemel,’ had hij geantwoord.
   Maar om eerlijk te zijn, wist hij het niet.
   Niets van wat hij predikte, wist hij. Hij dacht ook niet dat hij het geloofde. En hoewel hij soms hoopte dat het waar was, had hij er een hard hoofd in dat het klopte. Als er al een God was, die als een Vader op ons toezag en als een Moeder voor ons zorgde, dan was het wel een verdomd waardeloze ouder. Met z’n zwarte gaten.
   Het enige dat voor hem onomstotelijk vaststond, was dat er een oneindigheid moest zijn. Hoe onmogelijk het oneindige ook voor te stellen was, hij had desalniettemin geconcludeerd dat het eindige niet bestaan kon zonder het oneindige. Niets in de schepping was oneindig groot, en alles had een einde, alles ging dood. Maar ooit was er een begin, en dat begin kon alleen maar begonnen zijn door iets wat er voor dat begin al was en wat er na het einde nog steeds zou zijn. Dat iets kon zelf niet eindig zijn. Want wat bleef er over als het eindige verdwenen was? Niets?
   Als er iets was, wat hij nog onmogelijker vond om zich voor te stellen dan het oneindige, dan was het wel het bestaan van het niets. 

Nu, zwevend in het donker, scheen het Farran toe dat de oneindigheid weleens een complete, alles verhullende, eeuwigdurende duisternis zou kunnen zijn. En dat kwam behoorlijk dicht in de buurt van niets.
   Ontdaan van alle contouren werd het steeds moeilijker te onderscheiden waar hijzelf was, en waar de duisternis begon. Wie hijzelf was, en wat de duisternis was. Het was zelfs, alsof zijn hersens lekten en zijn gedachten structuurloos de ruimte insijpelden. Hij voelde de gordels om zijn lichaam niet meer, noch de stoel die hem ondersteunde, hij voelde zijn armen en benen niet, voelde geen lucht meer door zijn neus stromen, geen borstkas op en neer gaan; het leek of de grenzen van zijn lichaam vervaagden, alsof hij uitzette, groter werd, de ruimte vulde, de ruimte werd.
   Dus zo verloor de mens zijn zinnen, dacht hij, dus zo werd je door de duisternis opgeslokt.

Even werd hij verblind door een helder licht. Maar toen stond hij ineens in zijn kamer - de kamer van zijn jeugd, van mooie, vervlogen dromen.
   Het licht kwam van een stralende projectie in het midden van het vertrek; een enorme, vibrerende bol, die het gehele heelal omvatte. Het was prachtig, nog mooier dan hij dacht dat het was. En hij stapte erin en zag, precies vanuit het midden, de werelden bewegen, de clusters, planeten – alles volgens een plan. 
   En het had iets te betekenen, dat hij hier stond, als middelpunt van de kosmos, maar hij kon even niet bedenken wat. Want plotseling kwam alles op hem af; alle hemellichamen draaiden en botsten en voegden zich samen en kwamen steeds sneller dichterbij. Totdat ze zich allemaal in zijn hoofd verenigd hadden in een kleine, felle bol van licht. En toen doofde ook dat licht, en werd de bol donker, diep duister zwart.
   Staand in de duisternis zag hij weliswaar niets, maar hij voelde de onmeetbare zwaarte, de hitte, de oneindige mogelijkheden die de bol in zich droeg, en hij voelde hoe het sidderde, trilde, verlangde om te groeien, te zijn – om opnieuw geboren te worden.
   Farran hield zijn adem in, wachtend op wat komen zou. Maar er kwam niets. Wel begon zijn neus behoorlijk te kriebelen, en hij wist niet zeker of het er wel een goed moment voor was, maar als een nies zich eenmaal aandient, dan schuilt de grootste voldoening toch echt in het volledig, luid en spetterend laten gaan ervan.
   En dat was precies wat hij deed.  

 

 

December 2014

 

Ouroboros

© 2020 Janine Geerling

 

  • Google+ Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Pinterest Social Icon
  • Eyeempicto
  • LinkedIn Social Icon
  • Instagram Social Icon