© 2020 Janine Geerling

 

  • Google+ Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Pinterest Social Icon
  • Eyeempicto
  • LinkedIn Social Icon
  • Instagram Social Icon

Mare

De deur achter je dichtslaan. Niet jouw deur, de hare. Naar je fiets toe lopen. Het slot losmaken. Fietsen. Je weet niet waarheen. De straat waait, glimt rode bladeren. Je trapt. Je hijgt. Je ziet haar gezicht. De pijn. Je wist niet dat je het kon. De weg van nooit meer terug. Naar haar. Naar Mare. Je beste. Je maatje. Je zusje als ze je zusje zou zijn. Haar gezicht. De pijn. Hoe kon je. Je trapt. Hoe kon je.

 

De herfst mept Bodil bijna van haar fiets. Of eigenlijk is het een tak die terugzwiept door de fietser voor haar.

   ‘Kut!’ Haar oog, haar wang. Ze stapt af. Voorzichtig voelt ze met haar verkleumde vingers over haar huid. Een gloeiende striem, geen bloed. Door haar oog ziet ze nauwelijks iets; het prikt als een gek en er druppelt iets uit. Tranen. Ze veegt ze weg. Mag je tranen wel tranen noemen als je niet echt huilt?

   Een peuk. Ze moet een peuk.

   Op het eerste parkbankje dat ze tegenkomt zit een duif; een mager exemplaar met verfomfaaide veren. ‘Ksssst! Wegwezen.’ Met één vleugel uitgeslagen ploft de duif op de grond en schuifelt richting een overvolle vuilnisbak. Bodil gaat zitten en steekt een sigaret op. Ze ademt diep, diep de rook in, en uit, uit als een duivelse zucht. De wolkjes worden het grijs van de lucht. Lucht tussen neerkijkende bomen.

   ‘Pardon’, zegt een stem.

   ‘Jezus!’

   Er zit een man naast haar. Een man in zwart, met onwaarschijnlijk lichte ogen.

   Ze schuift een halve meter op. ‘Ik krijg zowat een hartverzakking.’

   Hij kijkt haar ernstig aan. Donkere wenkbrauwen, glanzend zwart haar met zilver in de golven. En die ogen. Grijs. Nee, groen. Wolvenogen. Een mistig gevoel van herkenning doemt op. Kent ze hem? Van de kroeg, misschien? Ze is toch niet met hem –

   ‘Er is iets dat ik u vragen wil’, zegt hij.

   Goden, wat een stem. Diep, donker, kolkend door haar onderbuik. Ze kucht. ‘Sorry, wat?’

 

De schemering streelt weemoedig de lijnen van de kamer. Lijnen die opgaan in vlakken, vormen die hun laatste bestaan uitademen. Alles geeft zich over aan de nacht. De zacht glanzende kandelaren, de kroonluchter met dauwdruppels van glas, de in duisternis gehulde gezichten aan de muren. Gezichten waarvan je de blikken niet kunt zien. Maar ze kijken. Ze kijken altijd.

   Ze wrijft in haar oog. De pijn is minder, maar blijft schrijnend achter haar oogbol dralen.

   ‘Mevrouw, blijft u alstublieft stilzitten.’

   Ze zucht. Ze was hem een moment vergeten. De man schildert in absolute stilte. Soms vraagt ze zich af of hij überhaupt wel iets doet. Ze grijnst zo breed ze kan. Breedbekkikker, noemt Mare haar dan.

   ‘Niet lachen. In dit licht kan ik uw schaduw zo mooi vangen.’

    Ze draait met haar ogen. ‘God, hou toch op met dat ge-u. Ik ben zesentwintig, geen tweeënzestig.’

   Hij kijkt haar aan. Ernstig. Altijd ernstig. De verticale rimpel tussen zijn ogen lijkt in zijn schedel gekerfd. ‘Zo je wilt, Bodil.’

   Er gaat een rilling door haar heen. Hoe weet hij haar naam? Ze had het hem niet verteld, dat weet ze zeker. En hij de zijne ook niet. Toch? Of had hij zich voorgesteld vanmorgen in het park, toen hij vroeg of ze voor hem wilde poseren?

   ‘Mijn naam is niet belangrijk’, zegt hij, alsof hij haar had horen denken.

   Kan hij dat? Haar horen denken? Ze probeert het van zijn gezicht te lezen, maar dat is met het laatste licht van de schemer door de schaduwen verzwolgen. Ze ziet alleen nog iets glanzen waar zijn ogen zijn.

   ‘Een mens moet een ander mens toch bij de naam kunnen noemen’, zegt ze. ‘Waar onderteken jij je kunst mee? Met niets?’

   ‘Exact. Zit nog even stil, alsjeblieft.’

   ‘Het is donker.’

   ‘Duisternis is niets anders dan een vorm van licht.’

 

Ze opent haar ogen. Ze moet zijn ingedut. De ruimte wordt zilverachtig verlicht door een koude lamp van buiten. Nee, geen lamp. Ze knijpt met haar ogen. Een volledig volle maan. Ze rilt. De satijnen jurk die hij haar aan had laten trekken glanst dun over haar huid. Het is dat ze weet dat de stof blauw is. Alles oogt nu hetzelfde. Kleurloos. Zelfs de roodfluwelen fauteuil is haast niet van haar lichaam te onderscheiden.

   De kruk achter de ezel is leeg. Hij is er niet, de schilder met de lichte ogen die alleen maar schilderen wil. Toen ze eerder die dag achter hem aan liep, de drie etages naar boven, wist ze zeker dat ze in zijn bed zou eindigen. Of beginnen. Sowieso had ze maar half geloofd dat hij een kunstschilder was. Met zijn duur ogende jas, glanzende schoenen en naar achteren gekamde haar zag hij er eerder uit als een acteur uit de tijd dat alles bewoog in zwart-wit. Maar hij was niet op haar blikken ingegaan, niet op haar poses, niet op haar naakte lichaam toen zij zich omkleedde in zijn zichtveld. Het was volslagen idioot. Ze moest op een homo gestuit zijn. Dat kan niet anders.

   Het canvas staat onbedekt met de rug naar haar toe. Ze heeft er nog niets van gezien, niets van al die uren stilzitten bij het koude raam. Ze mag vast wel even kijken. Kijken kan geen kwaad.

   Ze staat op. Haar lichaam voelt stijf en wankel, ze is licht in haar hoofd. Wanneer heeft ze voor het laatst gegeten, gedronken? Ze had ook al in geen eeuwigheid gerookt. Haar jas. Ze ziet haar jas niet. Straks zal ze er om vragen. Nu eerst het schilderij. Ze stapt naar voren, haar voeten zacht op het Perzische tapijt. Het is maar een paar passen om de salontafel heen, en dan is ze er.

   ‘Niet kijken.’ Hij staat voor haar, als een schaduw die ineens tot leven is gekomen. Zijn ogen. Zijn ogen zijn donker, bijna helemaal zwart. Zwart dat diep in haar brandt. Ze kijkt weg, probeert langs zijn schouder –

   ‘Nee,’ zegt hij, en pakt haar vast, ‘het is nog niet af’. Ze probeert los te komen, hij trekt haar dichter naar zich toe. ‘Is dit niet wat je wilt, Bodil?’ Zijn stem klinkt schor, als op de rand ergens van - op de rand, er bijna over. Hij duwt haar onderlichaam tegen het zijne. ‘Nou?’

  Haar verzet glijdt naar beneden, slaat stuk op de branding. Een nieuwe woede welt op, een inktvlek van vuur die kronkelt, zich spreidt, hongert.

   Hij heeft gelijk.

   Ze wil. Ze wil het allemaal. Hem. De wolf in het woud. Dat hij haar eindelijk opeist. Dat hij haar grommend verslindt in het kreupelhout tussen planten en beesten en dat het allemaal niet uitmaakt. Behalve dat. Dat hij haar neemt, dat zij zich overgeeft, bezeten wordt, vergeet.

   Ze duwt haar nagels in zijn nek, zijn mond naar haar lippen.

   Hoe kon je.

   Ze versteent.

   Het portret. Haar portret.

   Ze staart naar het donkere doek achter hem. Hij heeft haar geschilderd - haar, Bodil, haar lichaam, haar haren, maar niet haar gezicht. Het is Mare. Haar bleke huid, haar donkerbruine ogen, haar lippen op elkaar geperst.

   Jij denkt echt alleen maar met je kut, hè.

  Mare die haar aankijkt. Mare die schreeuwt dat hij alles heeft opgebiecht. Mare die niets zegt. Mare die voor haar staat. Mare die een mes heeft.

   ‘Mare.’ Haar naam is droogte in haar mond.

   Hij laat haar los. Ze voelt een zucht door de kamer gaan. ‘Ik schilder wat ik zie,’ zegt hij, ‘ik schilder alle lagen.’

   Ze legt haar wijsvinger op Mares wang. De verf is nog nat, is rood op haar vinger. Het is geen verf, het is bloed. Bloed op haar hand, bloed op de grond. Het druipt van haar eigen gezicht, druipt uit haar oog naar beneden.

   Hoe kon je.

   Mare met het mes. Hoe ze op haar afkomt. Doelgericht. Verbeten.

   En hoe alles daarna dooft.

   ‘Laat me je helpen.’ Hij staat achter haar, strijkt even langs haar rug. ‘Blijf tot zonsopgang, dan krijgen we het deze keer af.’

   ‘Deze keer?’ Ze houdt haar hand voor haar oog. De pijn is nog erger dan in het park.

   Het park.

   De tak ...

   ‘Je schept je eigen werkelijkheid, Bodil. Een droom waarin je ziet wat je wilt zien, en niet wat er is, niet wat er was. De weg naar aanvaarding kent meerdere fasen ...’ Zijn stem klinkt ver weg, alsof hij aan de andere kant van een muur staat.

   Het portret staart haar aan. Mares ogen vol walging. Mares haat. Haat die ze verdient. Ze draait zich om. Weg hier, denkt ze, je moet weg. Langs de gezichten. De kamer uit. Je jas aan. De trappen af. Je hakken op het krakende hout. De deur open. Naar buiten. Buiten waar het waait, waar je fiets staat tussen rode bladeren.

   De deur achter je dichtslaan. Niet jouw deur, de hare.

december 2016