‘What would you like, sir?’ De barman torent ver boven me uit. Hij staat zeker op een verhoging. Braziliaanse mannen zijn niet zo groot. Maar ze hebben wel verdomd witte tanden.

   ‘Whisky please,’ zeg ik. ‘No ice. Make it a double.’ 

   ‘Of course, sir.’ Hij kijkt een soort van veelbetekenend, maar draait zich om voor ik er iets van denken kan. Denken. Dat is sowieso zwaar overschat. Een mens moet handelen, zijn instinct gebruiken, niet nadenken maar doen, doen, doen. Mijn vuist op de bar doet de barman opschrikken.

   ‘Sorry,’ zeg ik, ‘I am celebrating. I am celebrating a lot.’

   Hij knikt, scheef glimlachend. Er zitten wat whiskyspetters op zijn witte T-shirt. Dwars over het Hilton-logo en zijn naambordje.

   ‘Pedro,’ zeg ik, ‘what is the most important thing of life?’ Ik hoor mijn houthakker-Engels, maar wat de fuck  – Pedro praat ook op z’n Pedro’s.

   ‘I don’t know, sir, perhaps you can tell me.’ Hij zet het halfgevulde glas voor me neer.

   Ik buig naar voren. ‘LIVING, Pedro, LIVING.’ Ik gooi de whisky in één keer achterover. Godver, dat brandt. Zalig. Brand maar door, brand maar weg, sla de vlammen maar door mijn hersenpan, fik de denkdingen er maar uit.

   Ik schuif het glas naar voren. ‘Another, please.’

   Pedro pakt de fles. Johnny Walker Black.

   ‘Wait,’ zeg ik. ‘You have something better? Stronger?’

   Hij houdt een Talisker 10 omhoog.

   ‘Neh.’

   Een 15-jarige Glenfiddich.

   ‘Nope.’

   Macallan 18.

   Ik grijns. ‘That looks legal enough for me.’

   Er komt iemand naast me zitten. Een man in pak. Er glinstert zweet op zijn voorhoofd en door zijn dunne haar.

   ‘You need a drink,’ zeg ik, en probeer ernstig te klinken.

   Hij kijkt me vluchtig aan, en staart dan naar zijn handen. Dikke korte vingers waar een ring om zit. Het vlees wurmt zich eromheen.

   Pedro zet mijn glas voor mij neer en richt zijn witte tanden op de zwetende man. ‘What would you like, sir?’

   ‘Ah, that is a very big question, isn’t it?’ zeg ik, en grinnik. ‘What would you like, sir? What do you rrrrreallly want?’

   De man perst zijn lippen op elkaar. Een beetje als een baby die iets voorgeschoteld krijgt dat hij niet lust. Dan bestelt hij een gin-tonic.

   Ik klok mijn whisky naar binnen en bestel er nog een. En een extra gin-tonic voor mijn buurman. Die durft me na dat tweede drankje eindelijk aan te kijken, en we verzeilen in een openhartig gesprek over het leven en de liefde. Eigenlijk vooral zíjn leven en liefde, maar wat maakt het uit, we zitten allemaal zo ongeveer in hetzelfde wankele schuitje.

   Het blijkt dat hij Emmerich heet en uit Zwitserland komt en hier is vanwege iets waarover hij niet mag praten, maar dat met een groot evenement en de bank waar hij werkt en het behouden van ‘goede relaties’ te maken heeft, en over relaties gesproken: zijn vrouw dreigt bij hem weg te gaan vanwege gebeurtenissen waar hij ook niet over mag praten maar die te maken hebben met het wel of niet een beetje over de schreef gaan van enkele edele delen zijnerzijds (en aan de andere kant van die schreef lag zijn schoonzus, maar ook dat is iets om vooral nooit te noemen). En dan huilt hij en sla ik mijn arm om hem heen, en zeg hem dat het leben nicht ehrlich is, maar dat alles uiteindelijk immer güt komt. En dan nemen we nog een drankje, en nog een, en dan lacht hij en zegt dat ik een ware vriend ben en dat zijn vrouw de plomp in kan lopen, en dan geef ik hem een high five en zeg dat het leven maar één keer geleefd kan worden, dat je risico’s moet nemen om te groeien, dat je buiten de fakking kaders moet lopen om ergens te komen, en dan proosten we en nemen nog een drankje, en dan zegt Pedro dat ze gaan sluiten en dan kus ik die mooie gast met zijn blinkerende tanden op zijn wangen, roep bij de uitgang ‘WHAT WOULD I LIKE, SIR? EVERYTHING!’ en dan staan we buiten, en zeg ik: ‘Ik weet nog een leuke tent.’

   En dan wordt het wazig.

   Ik geloof dat Emmerich iets mee heeft dat we in de taxi nuttigen, maar helemaal zeker weet ik het niet, misschien heeft hij gewoon een zakje poedersuiker in zijn zak zitten of hebben we eerst nog Brusselse wafels gegeten. Maar in elk geval drinken we bier als we op onze bestemming zijn. Want ze hebben er geen whisky en gin-tonic. Wel heel veel oranje. En vrouwen. Ik denk dat die ook allemaal oranje zijn. Nogmaals: het is niet zo helder meer. En op een gegeven moment ben ik Emmerich kwijt, en roep ik HE, EMMERTJE!! EMMERRRRR! En dan krijg ik een emmer op mijn kop gedrukt, en ik sta daar in het donker in de herrie van gelach en muziek, en mijn eigen geroep galmt in mijn oren: ‘EMMMMERRRIIIICH!’ En ik weet gewoon niet hoe ik het weer licht krijg, hoe ik mijn armen omhoog moet hijsen, hoe ik iets tillen moet, hoe ik mezelf bevrijden kan. En dan word ik boos. Ik sla om me heen, raak iets, hoor glazen, stomp iets zachts, een vrouw gilt, ik krijg een duw van voren, en dan val ik. Dan val ik in het donker.

 

Iemand vraagt hoe ik heet, en ik antwoord: ‘Lambertus’. Er klinkt gelach, ver weg, en ik zeg dat het geen grap is.

   Het is ook geen grap.

9 augustus 2016

Lambertus

© 2020 Janine Geerling

 

  • Google+ Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Pinterest Social Icon
  • Eyeempicto
  • LinkedIn Social Icon
  • Instagram Social Icon