© 2020 Janine Geerling

 

  • Google+ Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Pinterest Social Icon
  • Eyeempicto
  • LinkedIn Social Icon
  • Instagram Social Icon

Het meisje met de zwavelstokjes

Vuur liegt niet. Het reageert, het kan niet anders.

   Ze staart naar de vlam voor haar. Een lichaampje van licht dat flakkert en kronkelt, ontsnappen wil.

   Geen wonder.

   Gespetter, gelach, gesmak, geslurp, lippen die zich om glazen en lepels vouwen, schalen die worden doorgegeven, woorden die gemorst, angsten die weggespoeld, verlangens die worden fijngesneden. Waarheden die kleven.

   ‘Deck the halls with boughs of holly, fa la la la la, la la la la’

   En dat. Kerstklassiekers Volume 1. Op repeat.

  ‘‘Tis the season to be jolly, fa la la la la, la –‘

   De ingedroogde, met levervlekken bedekte handen van oma Dorith zetten een schaal stomende stoofpeertjes op tafel. De doperwten in de schaal ernaast lijken  op ontplofte groene puistjes.

   ‘See the blazing yule before us -‘

   De vlam kromt ver naar achteren in een poging iets fataals te ontduiken.

   Ze had de kaars een uur geleden zelf nog op tafel gezet. ‘Doe ook eens wat,’ had haar vader gezegd. Traag had ze de bordeauxrode dinerkaarsen uit de verpakking gehaald, een voor een met lucifers aangestoken, ondersteboven gehouden, enkele druppels laten bloeden, en in de zilveren kandelaars geplaatst.

   Haar moeder schuift iets op haar bord.

   Kalkoen.

   ‘FOUT! EEN NAVEL!’ De tafel schudt onder de dreunende vuistslag en  onmiskenbare (kapotgerookte, hijgende, in gepiep eindigende) lach van oom Gerard. Zijn moppen gaan negen van de tien keer over borsten. Tieten. Meloenen. Prammen. Memmen. Toeters. Harries. Joekels. Ze is blij dat hij niet naast haar zit, met zijn kraterhuid, uienoksels en naar ontbinding ruikende adem.

   De vlam buigt zich iets naar haar toe, alsof hij luistert, haar gedachten horen kan. Ze blaast zijn kant op, net hard genoeg om hem knetterend ineen te doen krimpen. Als hij niet had vastgezeten aan de lont zou hij er vandoor gaan. Dan zou hij met twee hete beentjes over de eettafel sprinten - schroeiplekken achterlatend in het witte tafelkleed - en rakelings langs het getoupeerde haar van tante Belinda springen – nee, wacht, niet rakelings erlangs, erín, IN het haar van tante Belinda, de hele platinablonde mikmak in de fik stekend, en daarna, met een gillende tante Belinda op de achtergrond, zou hij zwarte sporen schaatsen over het laminaat om vervolgens de kerstboom, de gordijnen, de boekenkast in te duiken. Hij zou zichzelf klonen totdat er niks over was van de hele godvergeten deck the halls en falala. Alles roet. Alles smeulend. Alles niks.

   ‘Luus, lieverd,’ de vlindermouw van haar moeders jurk aait over haar kruin en wappert kippenvel over haar armen, ‘ellebogen van tafel.’ Haar moeder giet cranberrysaus over de kalkoen, en loopt naar het volgende bord. Saus op kalkoen, kalkoen, kalkoen.

   Iemand zet de muziek harder. ‘HEEDLESS OF THE WIND AND WEATHER, FA LA LA LA LA, LA LA LA LAAAAAAH.’

   Ze laat haar armen van tafel zakken, en zucht.

   De kaars dooft.

   Volledig. In één keer. Zonder tegenspartelen. Zonder enig geluid. Over. Uit. Het lontje gloeit niet eens, er kringelt alleen wat rook omhoog.

   Oma Dorith schuift een schaal haar kant op. ‘Erwtjes erbij?’