‘Koffie?’

  Bijna onmerkbaar schudde hij zijn hoofd vanachter de krant.

  Ze schonk zichzelf in. Voorzichtig, zodat ze niet zou knoeien op de geborduurde bloemen van het tafelkleed. Ze pakte het melkkannetje dat bij de koffiepot en de kopjes hoorde. Glanzend wit porselein, beschilderd met sierlijke rozen en blauwgroene vogels. Ze keek graag naar die vogels.

  De melkwolk in haar kopje verspreidde zich maar langzaam, en ze pakte een theelepel. Zwaar zilver dat ze wekelijks poetste. Een huwelijkscadeau. Ze roerde door de koffie en hoorde hoe de lepel langs de wanden schraapte. Toen de koffie egaal bruin was bleef ze doorroeren. Schrapend.

  Hij keek op van zijn krant. Dat voelde ze. Lichtgrijze ogen die haar bewegingen nauwlettend volgden, en een linkermondhoek die onbedaarlijk trilde.

  Ze stopte met roeren, legde de theelepel terug en pakte haar kopje voorzichtig bij het oor. Het zat eigenlijk net iets te vol. Ze nam een hele kleine slok en zette het kopje weer terug op tafel. Daar prijkte de taart midden tussen de geborduurde bloemen. Kwark met kersen. Zijn lievelingstaart. Ze had ‘m vanmorgen gemaakt. Heel precies, heel nauwkeurig. Het moest een perfecte taart worden. Een speciale taart. Helemaal voor hem.

  Ze pakte het grote mes dat ernaast lag, sneed een flinke punt uit en schoof die op een gebaksbordje. Een kers dreigde van de slagroomtoef te zakken. Ze pakte de vrucht tussen duim en wijsvinger en legde hem weer op zijn plek. Haar vingers gingen al naar haar mond om de rode siroop eraf te likken, maar ze bedacht zich en pakte een servet. ‘Taart?’

  Verstoord keek hij op. De rimpel tussen zijn ogen werd al diep.

  ‘Het is kersen’, zei ze, en bood hem het schoteltje aan.

  Hij legde de krant weg. Het was ongelooflijk hoe lang hij over het lezen van een paar pagina’s nieuws kon doen, en hoe snel hij was met het eten van taart.

Met grote happen ging het erin. De krokante taartbodem, de luchtige kwark en de druipende, zoete kersen - binnen een minuut was het weg.

  Ze nam zijn lege bordje aan en zag dat er nog wat siroop in zijn mondhoek zat. Ze zei er niets van.

  Hij pakte zijn krant weer op, zij nipte van haar koffie. Het was stil in huis, op het ritselen van de dunne bladeren en het zachte tikken van de grote staklok na. De klok was antiek, gekregen van haar schoonouders. Het was tien over vier. Door het raam zag ze hoe de bomen in het plantsoen al geler kleurden. Ze glimlachte. Ze hield van de herfst en zag zichzelf al door de geurende, bontgekleurde bladeren lopen. Ze zuchtte en nam nog een flinke slok van haar koffie. Op.

  En opeens merkte ze dat de stilte nog stiller was dan voorheen. Er was geen geritsel meer. Geen beweging. Geen blik. Enkel nog het tikken van de klok.

 

 

 

September 2012

 

Giftig

© 2020 Janine Geerling

 

  • Google+ Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Pinterest Social Icon
  • Eyeempicto
  • LinkedIn Social Icon
  • Instagram Social Icon