Licht valt door het voile. De zon. Hoe kan de zon al schijnen? Ik sluit mijn ogen.

   ‘Er zijn bloemen bezorgd.’ Liz’ stem prikt door de stilte. ‘Ik zet ze hier.’ Een lichte plof van aardewerk op hout, en voetstappen die zich verwijderen.

   Eigenlijk wil ik niet kijken.

   Het zijn tulpen.

   Mama, mag ik kiezen? Ze rende al naar de bloemenkraam. In haar blauwe zomerjurk - die met ruches en een knoop eraf. Deze, nemen we deze, mama? Op haar tenen stond ze te wijzen. Tulpen, gele. Doet u die maar, Monsieur, het zijn haar lievelingsbloemen.

   De tulpen hier zijn geel met rood. Alsof ze met bloed geïnjecteerd zijn. Recht staan ze, op felgroene stelen, hun gesloten koppen fier omhoog, hun flankerende bladeren opgeheven. Juichend, levend. Ik strek mijn arm uit om de vaas – een lelijke, geribbelde, witte vaas – van de vensterbank te duwen. Mijn arm is te kort, is rubber. Pijn. Steken in mijn onderbuik.

   Ik moet gekermd hebben, want daar is Liz weer. Verschrikte blik, oersaaie jurk. ‘Gaat het, lieverd? Niet opstaan, hoor.’

   Opstaan. Ik zou niet weten hoe. Waarom.

   Ze slaat de deken weg. Bezorgdheid staat haar niet. De rimpel hakt haar voorhoofd in tweeën. ‘Ik haal de zuster even. Rustig liggen blijven.’

   Mijn zuster haalt de zuster. Ik grinnik, kreun. De dekens liggen nog open. Bloed. Best veel, ook. Mijn lichaam, mijn falende lichaam, huilt dieprode tranen.

   De zuster komt binnen met een verband. ‘U mag absoluut niet bewegen’.

   Bewegen. Mijn leven lang beweeg ik, mevrouw, mijn leven ís bewegen. Maar ik zeg het niet. Ik zeg niet dat stilstaan de dood is.

   ‘Ik geef u iets voor de pijn.’ Haar smetteloze witheid buigt zich over me heen.

 

Ze werd geboren in de nacht, terwijl de golven van de Noordzee in de branding beukten. Gegild had ik, gekronkeld, mezelf vastklampend aan het bed van het krakende strandhuis, en ik schold op de vroedvrouw, huilde om mijn moeder, vervloekte de macht die het nodig vond om zijn of haar wil zo letterlijk door te duwen, zo meedogenloos, zo zonder een greintje begrip voor de foltering, zo zonder mij op adem te laten komen.

   En toen was het ineens voorbij, en zat ik trillend in de warmte van de pijnloosheid met een kindje in mijn armen. Heeft u al een naam voor haar?

  Gepraat in de verte. Iemand lacht. Of huilt. Is het weer ochtend? Zwaarte drukt mij diep in het matras, de aarde in, verlamt mij tot gesteente. Alleen mijn ogen kunnen nog open, denk ik. Het is donker, even donker als wanneer ik ze sluit. Misschien heb ik geen ogen.

   Deirdre. Ze heette Deirdre. Speling van het lot. En God, dat werd ze.

   Ze leek op me. Mijn ogen, mijn neus, mijn donkere haren. Mijn kin ook, helaas. Ze scheen haar vader helemaal uitgebannen te hebben – al zijn genen netjes genegeerd. Op zijn creativiteit na. Ze maakte de mooiste tekeningen, creëerde werelden waar geen volwassene een voet in kon zetten. Kijk, mama, dit zijn de bergen, en dat is het monsterparadijs. Daar wonen de monsters, die aardbeien eten. Wat prachtig, liefje, en wat zijn dat? Dat zie je toch, dat zijn tulpen! Zwarte tulpen? Ja, mijn geel was op.

  Ik lach. Ik lach mezelf wakker, en dan zijn het tranen.

  Ik wist niet dat het zo voelen zou. Ik kende liefde in mijn leven, maar die viel in het niet bij wat er in mij openbrak toen ik haar eenmaal had. Alsof ik geboorte aan mijn eigen hart had gegeven. Mijn hart, dat ik in mijn armen hield en dat ik haast niet aan een ander durfde toe te vertrouwen. Wees voorzichtig, alstublieft, dat is mijn hart, dat u daar draagt. En je denkt dat je dat voor geen ander wezen ooit nog zult voelen. Maar dan blijk je nóg een hart te hebben, om geboren te laten worden.

  Waar is je broertje, Deirdre, waar is Patrick? Haar gegiechel klonk als belletjes. Hier mama, hij speelt met de pollepel. Hij slaat zijn knuffels op hun hoofd. Hij was drie en had blonde engelenharen. Het krulde helemaal over zijn schouders heen.

 

Het spijt ons, mevrouw Duncan. Het is juffrouw. Excuseer, juffrouw Duncan. U... Begrijpt u wel wat wij u net verteld hebben? Natuurlijk. Gaat u anders even zitten. Natuurlijk. We begrijpen dat het een schok voor u moet zijn. Ja. Juffrouw Duncan? Sorry. Wilt u thee?

 

Ze hadden gezwaaid als altijd. Achterin de auto, op weg naar school. En ik had als altijd teruggezwaaid. En iedere dag daarna verwachtte ik het vertrouwde ronken en de claxon, het geknars van grint, hun voetjes. Maar de waarheid galmde door het huis, en verstomde als ik hun namen riep. De waarheid trok mijn ziel uit elkaar en wierp mijn lichaam in een hoekje. Ik dacht dat ik nooit meer dansen zou.

   Maar ik danste. En ik werd zwanger.

   Het is weer licht. De tulpen buigen zich naar mij toe. Ze zijn helemaal open, tonen hun stampers. Ze willen omhelzen. Ik draai mijn gezicht naar de muur.

   Hoeveel nachten is het geleden? Hoeveel dagen, hoeveel uur?

   Zijn lijfje voelde warm. Pikzwarte haartjes plakten tegen zijn hoofd. Ik wilde dat hij zijn ogen open deed. Ik wist zeker dat ik het dan kon zien. Ben jij het, Deirdre? Ben jij het, Patrick? En toen hij zijn ogen niet opende, wilde ik dat hij huilde, want dan kon ik het horen, misschien - horen wie er bij me was teruggekomen. En toen hij niet huilde, wilde ik alleen nog maar dat hij bewoog.

   Het spijt ons, juffrouw Duncan. Het spijt ons echt.

 

Het is donker in de kamer. Mijn kussen is nat. Mijn kleding is nat. Ik ben helemaal doorweekt. Ik drijf mijn matras af, ik zweef. Overal om mij heen is water. De hele kamer is water. De meubels staan nog op de grond, maar de tulpen komen langzaam omhoog. Het plafond is weg, er komt licht naar beneden. En met dat licht een auto. Een paar meter van me vandaan raakt het geluidloos de grond, begint erin weg te zakken. Ik zwem erop af. Ik weet welke auto dit is. Ik weet dat ze erin zitten, in paniek, in ademnood, slaand tegen de ramen. Maar hoe hard ik mijn armen ook door het water duw, ik kom er niet bij, de auto blijft even ver weg en zakt steeds dieper in de bodem. Ik gil, ik huil, ik kan niet stoppen met huilen als de auto tenslotte is verzwolgen. De tranen komen en komen en ik wil mijn hart uit mijn lijf rukken van de pijn, de pijn, er is niet aan te ontkomen, ik ben doorboord, ik ben uit elkaar gevallen, ik ben vol littekens weer in elkaar gezet en in mijn keel zit een schreeuw die niet ophoudt met schreeuwen.

   Iemand pakt mijn hand vast. Het is een kleine, warme hand. Ik open mijn ogen en kijk in haar gezicht. Haar stralende, lieve gezicht, dat zo lijkt op het mijne. Ze heeft haar blauwe jurk aan, glimlacht, zegt iets. Wat zeg je, liefje, wat? Ze buigt zich naar voren. Ik voel haar zachte haren kriebelen.

   ‘Isa?’ Liz staat over me heen gebogen. ‘Je was aan het ijlen.’

   ‘Deirdre,’ zeg ik, schor. Hoe lang had ik al niet gepraat?

   Haar blik vlucht van me weg. ‘Deze zal ik maar weggooien,’ zegt ze, en pakt de vaas met tulpen. Hun kopjes hangen naar beneden, bleek, naar binnen gekeerd en half uitgevallen, met de huid van oude mensen.

   ‘Nee,’ zeg ik, en ik gebaar haar de vaas terug te zetten. ‘Het geeft niet.’ Ik geloof dat ik glimlach, ik geloof dat ik belletjes hoor, heel zacht, ver weg. ‘Het is goed.’

2013

herschreven 2016

Deirdre

© 2020 Janine Geerling

 

  • Google+ Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Pinterest Social Icon
  • Eyeempicto
  • LinkedIn Social Icon
  • Instagram Social Icon