© 2020 Janine Geerling

 

  • Google+ Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Pinterest Social Icon
  • Eyeempicto
  • LinkedIn Social Icon
  • Instagram Social Icon

Haar vormen zijn zelfs onder het dikke zeil nog prachtig. 
Isabel. Hij zet zijn plastic tas neer op een stoel.
   Het was onmogelijk niet naar haar te staren. Ze had korenbloemblauwe ogen en de armbandjes om haar polsen fluisterden haar naam. Isabel. Alles verstomde als zij voorbijliep. Of eigenlijk liep ze niet – ze schreed, ze zweefde, ze leek boven iedere aardsheid verheven te zijn. 
   Op zijn dertiende sprak hij haar per ongeluk aan. Ze stond voor hem bij de bakker, een vriendin aan iedere arm. ‘Hoi’, zei hij in gedachten, maar toen ze zich omdraaide wist hij dat hij het hardop had gezegd.
   Hij was bijna twee koppen kleiner en bloosde als een gek.    
   Haar vriendinnen moesten gniffelen. Isabel niet. ‘Dag,’ zei ze met een glimlach, en toen had ze zich weer omgedraaid.
   Hij wist wel dat hij anders was. Dat wist hij nog voor hij het woord ‘anders’ kende. Het was de manier waarop de mensen naar hem keken. ‘Dat is ook niet gek,’ zei zijn moeder, als er naar hem werd gewezen, ‘je bent tenslotte een bijzonder kind.’ En dan vertelde ze het verhaal van zijn geboorte weer.

 

   ‘“Uw zoontje leeft”, zeiden ze, “maar heeft een zeldzame disformatie. Zijn hart zit niet vanbinnen, maar groeit helemaal naar buiten.”
   Ectopia cordis noemen ze het, jongen. Ze gaven je hoogstens een dag.
   Maar je overleefde de eerste uren, dagen. Je overleefde de weken en maanden erna. Je overleefde twintig operaties. En hoewel je lichaam je hart niet wilde, leefde je door. Leefde je.
   Ik wist toen al dat je sterk was, al zie je dat zelf misschien nog niet. Je bent geboren met een bestemming. Op een dag zul je groter zijn dan wie dan ook.’

 

Hij slaat het zeil voorzichtig opzij. Haar huid is bleek, en in haar nek zitten dieppaarse striemen. Teder veegt hij een lok uit haar ogen. ‘Ik heb iets meegenomen,’ zegt hij, en legt de inhoud van de plastic tas naast haar op tafel. Een handzaag, bijl, stanleymes, hamer en beitel. Of hij die allemaal nodig heeft weet hij niet, maar dan hoeft hij in elk geval niet nog eens naar de doe-het-zelfzaak te lopen.   
   Isabel werd almaar mooier. Ze kreeg de vormen van een vrouw, terwijl hij iel bleef met smalle, slappe spieren. Toch groette ze hem altijd als hij haar ergens tegenkwam. En één keer complimenteerde ze hem met zijn nieuwe jas.
   ‘Mooie jas,’ zei ze.
   Hij wist met grote zekerheid dat zij zijn bestemming was.
   Maar ineens vertrok ze naar de stad; achterop een motor, haar haren in de wind. Ze had niet eens gedag gezegd. 
   En zo was zijn bestemming uit zijn leven verdwenen.
   Tot vanmorgen.
   De deurbel ging, en toen stond zij daar. In een wit jurkje en met blosjes op haar wangen. Nog mooier zelfs dan twee jaar geleden. 
   ‘Hoi,’ zei ze. ‘Valentijn, toch?’
   Hij knikte.
   ‘Je bent gegroeid.’
   Achttien was hij nu. Maar nog altijd twee koppen kleiner. 
   ‘Mijn oma vroeg me dit terug te brengen.’ Ze gaf hem een fietspomp aan. ‘Ik moet je moeder bedanken voor het lenen. Is ze thuis?’
   ‘Ze kan er elk moment zijn,’ loog hij. ‘Kom anders even binnen.’
   Ze aarzelde, hij zag het aan haar ogen. Hij hield de deur iets verder open.
   ‘Goed,’ zei ze.

 

Het valt nog niet mee om haar borstbeen open te krijgen. De zaag blijft telkens haken. Maar uiteindelijk ligt haar hart in zijn handen. Het weegt niet meer dan een flinke biefstuk. Vreemd, zo naakt. Zo roerloos ook. Hij legt het voorzichtig op haar buik.
   Nu komt het moeilijkste deel. 
   Hij trekt zijn T-shirt uit, en licht de deksel van het kastje op zijn borst.
   Daar is zijn hart. Zijn kleine, kloppende hart. De enige bescherming die het nu nog heeft, is een dun laagje huid. Huid die bleek is van leven in het donker. Met het stanleymes snijdt hij er voorzichtig wat van los, zodat zijn vingers er ruim onder passen.
   Hij klimt op de werktafel en gaat schrijlings op Isabel zitten. De metalen poten van de tafel wiebelen een beetje. In zijn rechterhand klemt hij zijn eigen hart, in zijn linkerhand het hare. Het zou straks aankomen op zowel precisie als kracht. 
   Hij denkt aan zijn moeder. Ze zal zien dat hij zijn bestemming heeft gevonden. Niet in zichzelf - maar dat heeft ze vast altijd al vermoed. 
   Opgewonden bonst zijn hart in de palm van zijn hand – zo krachtig, dat hij bijna zijn grip verliest.
   ‘Rustig,’ zegt hij, ‘rustig maar. Hier ben je voor geboren.’

 

 

 

 

29 maart 2015

De Bestemming