© 2020 Janine Geerling

 

  • Google+ Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Pinterest Social Icon
  • Eyeempicto
  • LinkedIn Social Icon
  • Instagram Social Icon

Bevroren horizon

‘Meneer, mijn man kan er ieder moment zijn, hoor.’

   De oude man aan haar tafeltje lijkt terstond te krimpen; zijn stoel wordt groter, zijn schouders krommer, zijn blik duikt in zijn koffiekop.

   Meteen heeft ze spijt van haar pinnige toon. Ze glimlacht. ‘Dan weet u dat.’

   Hij knikt zonder op te kijken. De lijnen langs zijn mond lijken op omgeslagen randen crêpepapier.

   Ze kijkt naar de klok die boven de ingang van het café hangt. Tien over drie. Hadden ze om drie uur afgesproken? Ze weet het niet meer, het zou ook half vier kunnen zijn.

   Met haar schouder leunt ze tegen het raam, en dan ook met haar slaap, om zo ver mogelijk langs het gebouw te kunnen kijken. Ieder moment kan hij daar opdoemen in de regen, met zijn fiere houding en verende tred. Hij zou haar meteen zien zitten achter het raam, zou naar haar zwaaien, en vlak voor de ingang zou hij met een soepele beweging de paraplu inklappen. Zijzelf staat doorgaans te klunzen met dat ding, krijgt het haakje niet ingedrukt - het metaal schijnt zich altijd eerst diep in het vlees van haar duim te moeten boren voor het toegeeft. Maar bij Willem niet. Willem is handig met die dingen, met mechanismen.

   Ze rilt, komt los van het koude glas. Ze zou wel iets warms lusten. Voor haar op tafel staat de halfvolle kop koffie van een vorige klant, en ze heeft nog niets kunnen bestellen. Ze kijkt om zich heen, zoekend naar het meisje van de bediening, maar ziet haar niet. De oude man neemt intussen slurpend een slokje van zijn koffie. Zijn hand trilt, hij morst een sliert druppels over zijn trui en op de boord van zijn overhemd. Ze biedt hem een servet aan. Hij kucht. ‘Dank je,’ zegt hij, en neemt het witte papier aan.

   Dank je? Wat is er met ‘U’ gebeurd? Meteen is haar ergernis terug. Hij was zomaar bij haar komen zitten. Heel langzaam, alsof hij bij het minste geringste uit elkaar zou vallen. Ze had om zich heen gekeken, zoekend naar iemand die aan een ander tafeltje op de man zat te wachten; iemand die nu zijn of haar blik rond liet gaan, hem aan de verkeerde tafel zou zien zitten en naar hen toe zou lopen. Maar er was niemand die haar kant op keek, niemand die wenkte, niemand die iemand leek te missen.

   De oude man legt het servet neer. Hij heeft de druppels die op zijn trui zaten min of meer eraf gekregen, maar de spatten op zijn overhemd heeft hij gemist. Hij ruikt niet al te lekker, merkt ze nu. Oude mensenlucht. Een beetje zoals zwervers ruiken.

   Hij vangt haar blik op. Waterig blauwe ogen heeft hij, en borstelige wenkbrauwen – lichtgrijs, bijna wit, zoals de nog wonderlijk volle haardos op zijn hoofd. Ze kijkt vlug naar buiten. Had hij de weerzin in haar ogen gezien? Schaamte nestelt zich in haar wangen. Oude mensen stinken niet voor niets. Het is de geur van eenzaamheid. Van zorg die er niet is. Waarschijnlijk leeft zijn vrouw niet meer en wonen zijn kinderen ver weg. Dat hoor je vaak, dat jonge mensen naar het buitenland trekken. Net als Willems broer. Die zit al jaren in Australië. Dat de arme man bij haar was komen zitten, was natuurlijk gewoon om niet alleen te hoeven zijn. Ze moet maar beter haar best doen, ze moet hem iets geven. Een gesprek.

   ‘Woont u hier in de buurt?’

   Hij knikt, en zegt dan, met een onmiskenbaar Amsterdamse tongval: ‘Al meer dan vijftig jaar.’

   ‘Zo, dat is een hele poos.’

   ‘Een leven.’ Hij draait zijn koffiekop langzaam over de schotel. Het aardewerk knarst.

   ‘Wij verhuisden naar Osdorp in 1962,’ zegt ze. ‘In de lente. We waren pioniers. Dat zei Willem altijd: “We zijn echte pioniers.” En daar leek het inderdaad wel op; de huizen waren klaar en bewoonbaar, maar verder was het één grote zandbak. Geen straten, geen trottoirs, geen bomen of planten – alsof je in de woestijn woonde, maar dan stukken minder warm.’ Ze glimlacht, hij ook. Zijn ogen staan veel helderder dan zojuist. Ze gaat verder.

   ‘Ik moest elke dag vegen en stofzuigen. Overal lag zand. Maar het gaf niet – ons appartement was stukken groter dan de twee kleine kamertjes waar we vandaan kwamen. We woonden namelijk in bij een oud vrouwtje in Oud-West. Of nee... Dat was toen ik zwanger was. De wachtlijst voor een gezinswoning was tien jaar, weet u. Zo lang duurde het voor we in ons nieuwe huis konden. De kinderen sliepen voorheen met z’n drieën in een stapelbed, en nu kregen ze ieder een eigen plekje op de zolderkamer. Blij dat ze waren... En ze speelden hele dagen buiten. Het is net het strand, riepen ze. En daar gingen ze weer, met hun emmertjes en schepjes. Zo blij... Maar ach, dat zand. Met hakken aan was het nog een hele toer, kan ik wel zeggen. Gelukkig hoefde ik nooit ver; de basisschool was om de hoek. Winkels in de buurt waren er nog niet, maar ook dat deerde niet: de melkboer en groenteman, slager, bakker en kruidenier kwamen op gezette dagen voorrijden. We hadden alles voorhanden. We hadden precies genoeg.’

   Ze kijkt naar buiten. Waar blijft haar pionier? Hij is nooit te laat, behalve als het echt erg tegenzit. Tegenwind, windkracht tien, een sneeuwstorm, bevroren wegen, een auto voor een belangrijke klant – in de prak, volledig, morgen moet ie af. Of die keer van het ongeluk op de werkplaats. Een elektrische zaag in zijn rechterhand; het had niet veel gescheeld of hij was zijn pink en ringvinger kwijtgeraakt. Hij heeft er nog steeds weinig gevoel in, in die vingers, en er zit een lelijk litteken dat waarschijnlijk nooit meer weg zal gaan. Maar verder is hij zelden te laat. Nooit, eigenlijk. Vroeger ook al niet. Zelfs niet met al dat zand in de wijk. Dan kwam hij klokslag kwart voor zes met de fiets aan zijn hand aanlopen, en ringde de fietsbel drie keer. De meisjes vlogen dan naar het raam – papa is thuis! En dan zwaaide hij naar de drie blonde hoofdjes achter het raam hoog boven hem, en ringde nog een keer.

   Zou hij vandaag ook met de fiets zijn? Of met de tram – zei hij niet met de tram? Welke tram komt hier, eigenlijk? Ze ziet auto’s voorbijkomen, fietsers, een bus. Is hij met de bus? Ze schudt haar hoofd. Hij zal wel met de fiets zijn. Een beetje regen houdt hem niet tegen. Goed voor een fris gemoed, zegt hij altijd. Hij -

   ‘Waar wonen jullie? In welke straat?’ De stem van de oude man trekt haar weg bij het raam.

   ‘Aan de Botteskerksingel,’ antwoordt ze. ‘Kent u die?’

   De koffiekop knarst. ‘Een beetje.’

   ‘We wonen op drie hoog. Toen we er net zaten, was het park er nog niet, en ook de flatgebouwen niet waar we nu op uitkijken. Alles was nog zand. Zand, en machines om het zand te bedwingen. En bij helder weer kon je heel ver kijken. Helemaal tot aan het Noordzeekanaal.’

   Kijk, Mar, er varen schepen over de horizon.

   ‘Weet u dat de horizon kan bevriezen?’ Ze wacht niet op een reactie van haar luisteraar. ‘Kóud dat het was die winter... Weet u nog hoe koud? Overal sneeuw waar eerst zand was. Het was een witte Kerst, en het bleef maar vriezen. Vaak was het bar en boos, veel te koud voor de meisjes om buiten te spelen. Maar op andere dagen konden ze sleetje rijden en maakten ze sneeuwpoppen met de kinderen uit de straat. En ze vonden de sterren zo mooi – de sterren op de ramen. Ik mocht de kachel ’s ochtends niet aan doen van ze. Dan smelten ze, mama, dan smelten de sterren, zeiden ze dan. En dan antwoordde ik altijd dat ik liever alle sterren van het heelal smolt, dan dat ik mijn dochters liet bevriezen.’

   De oude man glimlacht, en kucht dan, alsof hij iets wil zeggen. Hij zegt niets. De koffiekop zwijgt ook.

   Waar was ze gebleven? Ze wilde nog iets zeggen over die winter, dat het zo koud was, zo koud dat... Ze bijt op haar onderlip. Vergeten. Soms vergeet ze dingen – het moet de vermoeidheid zijn, de gebroken nachten. Lien plast nog vaak in bed, en Antje –

   De meisjes. Had ze de meisjes niet van school moeten halen?

   Paniek golft heet door haar lichaam. O God, nu staan ze op het schoolplein, en het regent zo hard, en het wordt al donker straks, o God o God...

   ‘Gaat het wel?’ vraagt de oude man.

   ‘De meisjes,’ zegt ze, ‘ze zijn al lang uit, de juffrouw zal wel denken... Wat voor dag is het? Ik moet al lang...’ Ze schuift haar stoel bruusk naar achteren, en komt overeind.

   ‘Zondag,’ zegt de man. ‘Het is zondag.’

   ‘Nee. Ja. Zondag...’ Ze zakt langzaam terug in haar stoel. Zondags zijn haar schoonouders altijd op bezoek. Ze is niet te laat, het is zondag. Zondag is voor haar en Willem. Voor hen alleen.

   De oude man kijkt haar nog altijd aan, maar ze ontwijkt zijn blik, zoekt de klok. Twee voor half vier. Hij kan er nu elk moment zijn. Elk moment. Ze ademt diep in, voelt haar hart nog angstig in haar borstkas bonzen. Het hart, denkt ze, is er het eerst bij als het iets moet voelen, maar het laatst als het iets los moet laten. Haar blik dwaalt over de tafel. Ze heeft dorst, maar ze bestelt niets tot Willem er is. De man kucht. Nu zegt hij wel iets.

   ‘Het was inderdaad een ijskoude winter, hè? We hebben nooit meer zoiets meegemaakt. De Noordzee was bevroren, de meren, kanalen, alles –

   ‘Ja, dat wilde ik zeggen.’ Opgelucht glimlacht ze. ‘Het Noordzeekanaal was ijs geworden. Vanuit ons huis kon je de vrachtschepen roerloos in de verte zien liggen. Willem wees ernaar, hij zei: Mar, de horizon is bevroren. En toen vroeg ik of de aarde was gestopt met draaien, en of de tijd stil was komen te staan. Ja, zei hij, de tijd staat stil – nu is er niets dan nu.’

   De oude man glimlacht, en kucht. De stilte die volgt is niet onaangenaam. Het is een beetje alsof ze samen met deze vreemde voor een haardvuur van de warmte zit te genieten. Daar hoeft ze zich niet schuldig over te voelen, het is een oude, arme man, en toch verbreekt ze het zwijgen.

   ‘Hij wilde vliegenier worden,’ zegt ze. ‘Mijn man. Willem heet hij, al noemt iedereen hem Wim. Ik niet. Willem past veel beter bij hem. Hij wilde vliegenier worden, maar toen kwam de oorlog.’

   Ze perst haar lippen op elkaar. Nu begint ze over de oorlog, maar wat kan ze zeggen, over de oorlog? Ze was zo jong nog, toen... De man aan haar tafel heeft indertijd waarschijnlijk veel meer verloren dan zij. Misschien wel alles.

   De man pakt zijn koffiekop op, brengt het trillend naar zijn lippen. De knokkels van zijn vingers zijn even wit als het kopje. Er zit een verkleuring op zijn hand, net onder zijn pink.

   Ze staart. Blijft staren.

   Ze kent die plek. Ze kent die ruwe, rode plek op zijn hand.

   Dan voelt ze dat er iets in haarzelf naar achteren valt, of naar voren, of allebei tegelijk. Alsof er losse componenten ineens weer samenvallen, terug op hun eigen plek, terug op hun plek in de tijd. Ze heeft dit eerder gevoeld, ze weet het, en ze weet ook dat die componenten weer uit elkaar zullen vallen. Als een klok waarbij de schroeven en moeren ineens ontbreken – de wijzers vallen eerst.

   Hij heeft het al aan haar gezien. Hij ziet het altijd meteen.

   ‘Mar,’ zegt hij. ‘Marie.’ Hij glimlacht, zijn ogen blauw als de hemel op tienduizend meter hoogte. Dan kucht hij, zoals hij altijd doet, en pakt haar hand.

   ‘Mar, de horizon is bevroren.’